Voor we More Than Sport grootschalig op de proef stellen, gingen we eerst na of het in de praktijk werkt en hoe atleten het ervaren. Dat deden we in twee pilootstudies, telkens met diepte-interviews waarin we de deelnemers uitgebreid aan het woord lieten.
In de eerste pilootstudie lieten we 25 oud-topsporters uit het Verenigd Koninkrijk, Australië en België het programma doorlopen, en bevroegen we hen nadien grondig over hun ervaring (Young et al., 2024). De gesprekken werden geanalyseerd met reflexieve thematische analyse en leverden drie hoofdthema’s op.
Het eerste thema was de waarde van het programma. Atleten benadrukten hoe belangrijk en nieuw het was dat de identiteitskwestie eindelijk centraal stond. Ze gaven aan dat zowel de positieve als de confronterende momenten hen inzicht brachten, dat het deugd deed te merken dat anderen hetzelfde doormaakten, en dat ze de waarde van hun sociale groepen opnieuw leerden inzien. Een atlete uit de atletiek verwoordde het zo:
“Eindelijk heeft iemand het over identiteit. Dat is net het enorme stuk dat iedereen die in deze transitie werkt over het hoofd ziet.”
Het tweede thema ging over de concrete onderdelen van het programma, met feedback over zowel de inhoud als de vorm. Het derde thema betrof tijd en plaats: wanneer is zo’n programma het meest waardevol, en wie heeft er nog baat bij? Die inzichten gebruikten we meteen om het programma te verbeteren.
Op basis van die eerste bevindingen verfijnden we het programma op een aantal punten, en testten we de herwerkte versie opnieuw (Schepers et al., onder review). Deze keer namen zestien Nederlandstalige oud-topsporters deel, die allemaal binnen de voorbije tweeënhalf jaar gestopt waren. Het was een bewust diverse groep qua sport, leeftijd en gender, met onder meer een Paralympiër. Het ging telkens om atleten die minstens op nationaal niveau (in teamsporten) of internationaal niveau (in individuele sporten) hadden gepresteerd.
We voerden online diepte-interviews en vroegen daarin uitdrukkelijk ook naar kritiek, met vragen als “Wat vond je minder waardevol?” en “Wat zou beter kunnen?”. Twee deelnemers dachten bovendien hardop na terwijl ze het programma doorliepen, zodat we precies konden zien waar het haperde. Uit de analyse kwamen vier thema’s naar voren.
Ten eerste hielp het programma atleten om hun identiteit voorbij de topsport te navigeren: zichzelf opnieuw te ontdekken, en het verlies te verwerken en te aanvaarden. Dat gevoel van herkenning was sterk aanwezig:
“Het toonde me dat ik niet alleen ben, dat dit echt iets is wat topsporters normaal voelen.” (deelnemer, gymnastiek)
“Soms zat ik er met tranen in mijn ogen naar te kijken, omdat ik dacht: ja, dat klopt, zo is het.” (deelnemer)
Ten tweede zette het programma aan tot bewustwording en bereidheid tot verandering. Vooral het in kaart brengen van de eigen groepen werkte als een spiegel, en spoorde aan tot actie, zowel om oude banden warm te houden als om nieuwe verbindingen te zoeken:
“Ik vond het wel confronterend. Er stonden eigenlijk niet zoveel groepen op, en je beseft hoe weinig echte verbinding je nog hebt.” (deelnemer, triatlon)
Ten derde benadrukten atleten een bredere, systemische verantwoordelijkheid: dit soort begeleiding zou standaard moeten zijn, en bestaat vandaag nauwelijks.
“Er wordt eigenlijk niets georganiseerd wanneer je stopt met topsport. En ik vind echt dat More Than Sport een vaste waarde zou moeten worden.” (deelnemer, kunstschaatsen)
Ten vierde gaven ze concrete suggesties om het programma-ontwerp te optimaliseren, onder meer over de balans tussen algemeen en persoonlijk, over een flexibele vorm, en over het juiste moment om eraan te beginnen, namelijk kort na het stoppen:
“Misschien een tweetal weken nadat je stopt, zodat het wat kan bezinken en je er rustiger naar kan kijken.” (deelnemer, gymnastiek)
Al die inzichten nemen we rechtstreeks mee naar de grootschalige interventie studie.